Het kanaal Aalst-Baasrode

Indien de plannen van de Aalsterse gedeputeerden van het Land van Aalst waren verwezenlijkt, dan bestond er sinds circa 1750 een kanaal tussen Aalst en Baasrode.

Het was echter pas met de kanalisering van de Dender tussen Aalst en Dendermonde in 1768 dat er verbetering kwam wat de bevaarbaarheid. De rivier werd in diepgang en in breedte verdubbeld, in belangrijke mate rechtgetrokken en er kwam een sluis en een spuikom in Herdersem. Hierbij aansluitend werden beheersingswerken uitgevoerd aan de Denderbedding stroomopwaarts Aalst. Na de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748) werd door het Land van Aalst veel aandacht besteed aan openbare werken met een 'vreedzaam karakter'. Tijdens de oorlog geschiedden deze werken vooral in functie van militaire taken: herstellingen aan fortificaties, het 'egaliseren' van hobbelige wegen om de konvooien te vergemakkelijken, enzovoort.

Rond 1750 was bij verschillende Aalsterse gedeputeerden het idee gegroeid om een steenweg aan te leggen tussen Bergen en Aalst via Geraardsbergen. Hierop aansluitend zou vanuit Aalst een kanaal naar het aan de Schelde gelegen Baasrode gegraven worden. Het transport tussen Zeeland en Henegouwen zou zo aanzienlijk vergemakkelijkt worden en Aalst, gelegen op de steenweg van Brussel naar Gent, zou een vitaal knooppunt worden voor de verbindingen met Gent, Bergen, Brussel en Antwerpen.

Het plan van enkele Aalsterse gedeputeerden van de Twee Steden en het Land van Aalst, waaronder burgemeester Vilain XIIII, om de stad Aalst een betere verbinding met Henegouwen en de Schelde te geven, paste in het algemeen streven van de openbare besturen naar een verbetering van de transportinfrastructuur. Het te graven kanaal en de te bouwen steenwegen moesten de praktisch onbevaarbare Dender vervangen.

Tijdens de 17de en de gehele eerste helft van de 18de eeuw bleef het vinden van een betere verbinding tussen Henegouwen en de benedenloop van de Schelde min of meer actueel. Een kanaal van de Dender naar de Haine kwam ter sprake maar stootte steeds op tegenstand van de stad Ath.
Het was de burgemeester van de gemeente Edingen die na de oorlog de bal aan het rollen bracht. Hij wou een andere verbinding tot stand brengen om zo zijn eigen gemeente mee te laten profiteren van de economische groei die er zou volgen. Als eerste nam hij contact op met het Geraardsbergse stadsbestuur, maar de gedeputeerden van het Land van Aalst, die van zijn plannen hadden gehoord, nodigden hem meteen uit voor een gesprek in het landhuis te Aalst.
Op 4 december 1749 gaf hij een uiteenzetting over welke voordelen het Land van Aalst zou hebben bij een betere verbinding met Henegouwen en zo met Valenciennes en een deel van Picardië en hoe vooral de handelstransacties erdoor zouden aangroeien. Daar het terrein een kanaal uitsloot zou een steenweg aangelegd worden van Bergen naar Edingen. Vandaar kon deze via Geraardsbergen en Ninove via Aalst naar Dendermonde lopen. Het nodige octrooi voor de aanleg zou Edingen via de gouverneur van Henegouwen zonder moeite van de regering bekomen.
Tijdens dezelfde vergadering kwamen tevens enkele handelaars uit Geraardsbergen aan het woord die allen de nadruk legden op het grote belang die de verbinding met de weg Bergen-Edingen-Halle zou hebben. Waalse producten zoals steenkool, ijzer en lood zouden naar Vlaanderen getransporteerd worden aan vervoerskosten die een derde lager zouden zijn. Aalsters lijnwaad kon gemakkelijker naar Metz en Verdun uitgevoerd worden en mensen uit de streek van Aalst zouden meer buiten hun gewest liggende markten kunnen frequenteren. Andere rond Aalst geproduceerde producten zoals graan, koolzaad en tabak zouden nieuwe afzetgebieden krijgen. Een aanzienlijk deel van de kosten van de aanleg zou teruggewonnen worden door tolbarelen op de steenweg.

Lang werd gediscussieerd over wat het eindpunt van de aan te leggen weg zou worden: Aalst of Oordegem. Beide lagen op de steenweg Gent-Brussel. Uiteindelijk werd voor Oordegem gekozen omdat dit de verbinding van Geraardsbergen met het centrum van het Land van Aalst met Gent zou vergemakkelijken. In januari 1750 werden enkele vertegenwoordigers van het Land van Aalst naar de Staten van Henegouwen gestuurd om hen te vragen de kosten van de aanleg van de weg van Edingen naar Geraardsbergen op zich te willen nemen voor het gedeelte dat op hun grondgebied lag. Voorzichtigheid was geboden daar de aanleg van interprovinciale wegen steeds een precaire zaak geweest is. Het was immers niet de centrale regering die zulke verbindingen bekostigde, maar wel de desbetreffende provincies of gewesten.
Tijdens dezelfde maand januari werd te Brussel een octrooi aangevraagd voor de geplande weg.
De volgende maanden brachten echter moeilijkheden die de plannen zouden kunnen dwarsbomen. Een aanzienlijk probleem was de weigering van de Staten van Henegouwen om een deel van de kosten voor de aanleg van de weg op zich te nemen. Waarschijnlijk waren ze de mening toegedaan dat deze meer voordeel had voor Vlaanderen dan voor hun provincie. Dit probleem zou opgelost worden door Aalst dat alle nodige uitgaven op zich zou nemen. Als compensatie zouden alle barelen en aanplantingen langs de weg eigendom zijn van het Land van Aalst. De bewoners van de aan de weg liggende dorpen zouden moeten meehelpen bij de aanleg, maar in ruil kregen ze een blijvende vrijstelling van de tolrechten. Om onbekende redenen werd het tracé van de steenweg gewijzigd, en het eindpunt zou niet te Oordegem liggen, maar te Aalst. Deze beslissing maakt het voor ons interessant daar de verbinding met de Schelde tot stand zou gebracht worden door een kanaal van Aalst naar Baasrode. Dit kanaal moest de Dender tussen Aalst en Dendermonde vervangen: de rivier was immers slecht bevaarbaar en de vele bochten vergrootten de te varen afstand. Door als eindpunt Baasrode (en niet Dendermonde) te kiezen werd tevens de afstand per boot tussen Aalst en Antwerpen sterk verminderd.



Geplande tracé


Meer hierover kan u lezen in ons tijdschrift nr 1 (maart 2007) van jaargang 5.

Veel leesplezier !!