Bedrijvig Baasrode : Palingboeren

Voor de Baasroodse visserij betekende de Schelde een bron van inkomst. Omstreeks 1880 telde Baasrode een dertigtal vissers. Ze visten op de Schelde tussen Wetteren en de Nederlandse grens. Met hun brabanders, hoogaarzen, knotsen en schouwen, vingen ze op meivis, steur, spiering, brasem, snoek, baars en zelfs garnalen.

Elke vissoort had zo zijn eigen seizoen. De meivis werd vanaf half april gevangen, midden juni was het de beurt aan de paling. Spiering en "krabbekenssteel", een fijne garnaalsoort, ving men het hele jaar door.

Het leven op een vissersboot was hard en primitief. De vissers sliepen, meestal nog aangekleed, met z'n drieën (twee vissers en een jonge knecht) op een bussel stro in de voorplecht, een kleine overdekte ruimte vooraan in de boot. Ze kookten hun eten op een kleine koolpot. Op het dagelijks menu stond verse vis, aardappelen in de schil en ajuinsaus. Doorgaans gingen de vissers er op uit in groepjes van vijf of zes boten.

Het grootste deel van de vangst werd verkocht aan venters op de vismijn van Baasrode, gelegen naast de kerk. In 1885 bezat Amandus Verheyen de mijnrechten en de rechten op "al de vischkramen", waarvoor hij een jaarlijkse bijdrage van 83 fr. betaalde.

Baasrode was (en is) als vissersdorp vooral bekend voor zijn botters en palingschippers. De Baasrodenaar heeft dan ook niet voor niets de bijnaam "Palingboer". Jules Van Beylen, oud-conservator van het Nationaal Scheepvaartmuseum in Antwerpen, schreef een zeer gedetailleerde monografie over de botter, een schip dat tot het midden van de 19de eeuw de Nederlandse Zuiderzee (Friesland) als voornaamste thuishaven had.

Aanvankelijk werd de paling door Hollandse schippers naar Baasrode gebracht. Zij verkochten ook haring die in een haringdrogerij op de Oude Briel werd verwerkt. Vanaf de tweede helft van de 19de eeuw gebeurde de aanvoer echter vooral door botters met een Vlaamse bemanning. De botter was hiervoor zeer geschikt.

Het schip bezat een grote bun (een soort ingebouwd visreservoir met gaten), waarin de vis levend kon worden vervoerd. In 1896 telde de vissersvloot van Baasrode 14 botters. De schepen werden niet alleen in Nederland aangekocht, maar ook op de lokale werven (onder meer bij Van Damme) gebouwd. Philippe en Isisdoor Verheyen bestelden in 1888 bij Cesar Van Damme ieder een botterschip.
Hoe gingen de palingschippers tewerk? In de regel hadden ze een overeenkomst met meerdere Nederlandse vissers die in hun opdracht werkten op de Oosterschelde, de Maas en de Waal. Zelf visten ze dus niet. Vooral Willemstad en Moerdijk waren de lievelingshavens van de Baasroodse schippers. Als ze er "na veel loven en bieden" een vracht hadden gekocht, zeilden ze terug naar Baasrode. Wanneer ze in tijdsnood verkeerden, huurden de schippers per twee of drie een sleepboot om zich naar Baasrode te laten brengen.

De zuiverheidsgraad van het Scheldewater genoodzaakte de schippers echter soms alle paling in Antwerpen te verkopen. Het vervuilde water maakte verder transport immers onmogelijk. Vervolgens brachten ze per telegram de helpers in Baasrode op de hoogte dat er geen aanvoer was die dag. Gewoonlijk leverden de palingbotters en de schokkers op maandag of dinsdag hun koopwaar. Ze legden aan ter hoogte van de "Drie Huiskes", waar nu de steiger is.

Nadat de lading in één of andere café, na de nodige glazen bier en genever, was doorverkocht aan handelaars, werd de paling overgeschept in wijmen korven. De meeste venters vervoerden de paling in grote houten bakken met twee à drie blikken laden, voorzien van gaatjes, zodat de paling voldoende lucht kreeg.

De karren met paling vertrokken naar de markten in de wijde omtrek: Aalst, Dendermonde, Brussel, enz. Er waren zelfs venters van Baasrode en Mariekerke die in Wallonië op de markt stonden.

Volgens de gemeenteraadsverslagen telde Baasrode omstreeks de eeuwwisseling een driehonderdtal venters, waarvan het leeuwendeel omschreven werd als "vischleurder". Sommigen trokken met een kruiwagen vol vis over Asse naar de Brusselse vismijn op de Kathelijnevest. Wanneer een deel van de lading niet verkocht geraakte, trachtte men de vis te kwijten bij particulieren of eethuizen in Brussel. Vermits de visventers geen vergunning hadden om te leuren, kwam het wel eens voor dat men een nachtje in het politiebureau kon doorbrengen.

De Baasroodse vissers kloegen deze achteruitgang van het Scheldewater reeds aan bij het begin van de 20ste eeuw. Op 19 juni 1910 werd in het feestlokaal "den Aria" de vissersbond "Sint-Pietersgilde" opgericht. Bedoeling van deze vereniging was "buiten alle politiek, de visschers, de ventjagers en de uitventers te vereenigen om gezamentlijk hunnen belangen te bespreken en de middelen te nemen om den kwijnenden vischhandel op te beuren". Niet minder dan 120 leden sloten zich aan.

Het bestuur bestond uit twee vissers, twee ventjagers en twee uitventers, ieder verkozen door hun afdeling. Voorzitter was burgemeester Robert Neerincx. Onderpastoor E. Denys nam de taak van secretaris op zich. De kwaliteit van het water bleef echter voortdurend achteruitgaan.

Kort na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) vluchtten de meeste palingbotters naar Nederland. De meerderheid verbleef op het Hollands Diep (onder meer in Moerdijk). Sommige gezinnen woonden vier jaar op hun botterschip. Na de oorlog keerden slechts een drietal botters naar Baasrode terug, de andere werden in Nederland verkocht.

De laatste palingbotter was eigendom van Armand Verheyen. Omstreeks 1925 waren alle palingschippers overgeschakeld op de binnenvaart. De voornaamste aanleiding voor deze evolutie vormde de vervuiling van de Schelde.

Frans de visser en zonen Alfons en Gilles, ca.1942.
De Scheldevisserij kende een laatste (slechts zeer beperkte) herleving tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het stilvallen van de industriële bedrijvigheid zorgde ervoor dat het water ietsje zuiverder werd en de vis opnieuw "massaal" terugkeerde. Volgens de overlevering zou "Frans de visser, met zijn twee zonen Gillis en Alfons", de laatste professionele Scheldevisser van Baasrode zijn geweest.